David Jorisz door Jan van Scorel
David Jorisz door Jan van Scorel (Foto: )

Wrede straf voor de 'duivel van Delft'

Door Jeroen Stolk

Delftse kunstenaars

David Jorisz., alias Jan Jorisz. was schilder, glasschilder, tekenaar en houtgraveur. Hij werd in 1501 geboren, vermoedelijk te Brugge en was een zoon van Joris van Amersfordt, alias Joris de Koman, en Marytje Jan de Gortersdr. Davids moeder was van Delftse afkomst terwijl zijn vader een Vlaamse koopman was.

Delft - David schilderde met olieverf en had historie als genre. David Jorisz. werkte in Delft, Oost-Friesland en Bazel. Voorts heeft hij enige tijd in Den Haag gewoond en zal daar vermoedelijk ook zijn beroep hebben uitgeoefend om brood op de plank te houden. Hoewel David Jorisz. als glas-in-loodschilder zeer bekwaam zou zijn geweest, dankt hij zijn bekendheid vooral aan zijn opvattingen en de wijze waarop hij daaraan uiting gaf. Het heeft hem bovendien een aantal bijnamen opgeleverd zoals "Duivel van Delft", "Ketter-Patriarch" en "David van Delft". Maar hij stond tevens bekend als "Jan van Broek", "Jan van Brugge", "Johan van Brugge" en "Jan van Binningen". Ondanks het feit dat David zijn mening niet onder stoelen of banken stak, was hij een vriendelijk en zachtaardig man.

David kwam in de problemen toen hij openlijk zijn afkeer toonde van de misstanden die hij bij de kerk meende te zien. Zo verstoorde hij op Hemelvaartsdag 1528 een processie in Delft door de deelnemers toe te roepen dat zij "upten dwaelwech" waren, terwijl hij monniken en priesters als "valsche ypocryten" placht te bestempelen. De Delftse schout was opmerkelijk mild tegen David, maar daartoe gedwongen door zijn superieuren moest hij uiteindelijk toch tegen de ketter optreden. Als straf voor het verstoren van de processie moest David Jorisz. bij de eerstvolgende processie, slechts gekleed in zijn onderkleed, voorop lopen met een brandende kaars. Echter, het Hof van Holland vond deze straf veel te mild en legde een zwaardere straf op; een openbare geseling op een schavot op de Markt. Vervolgens stak men een priem door zijn tong en moest hij daarmee een half uur blijven staan. Hier bovenop kwam nog een verbanning uit Delft voor de duur van drie jaar. De verbanning zat hij uit in Oost-Friesland waarna hij naar de prinsenstad terugkeerde. Hij sloot zich daar aan bij de wederdopers, een groep die destijds als ketters werd beschouwd. Toen de schout onder dwang van bovenaf de ketterjacht opvoerde was David gedwongen de stad te ontvluchten. Helaas ontsprong zijn moeder de dans niet, zij werd door het zwaard omgebracht. Na omzwervingen belandde David uiteindelijk in Bazel (Zwitserland) alwaar hij tot zijn dood (1556) zou wonen en werken onder de schuilnaam Johan van Brugge. Toen men in Bazel na zijn dood ontdekte dat men een ketter binnen de stadsmuren had geduld spande het gemeentebestuur alsnog een proces tegen hem aan. Zijn lichaam werd opgegraven en samen met zijn boeken in het openbaar verbrand. David liet een vrouw en elf kinderen na.

Uit 'Scijlder tot Delff'

Meer berichten