Foto:

Verdwenen schilders

Door Jeroen Stolk 

Alles in ons leven is vergankelijk, ook het leven zelf. We staan daar niet altijd bij stil maar van tijd tot tijd worden we er weer aan herinnerd. Het was in de zeventiende eeuw dat men zich hier wat meer van bewust werd waardoor het uitgroeide tot een geliefd onderwerp in de schilderkunst. Sowieso speelde symboliek in de schilderkunst destijds een aanzienlijke rol. Teneinde het tijdelijke van ons aardse bestaan te verbeelden en de focus op het eeuwige te leggen, beschikte de zeventiende-eeuwse kunstschilder over een scala aan mogelijkheden.

Delft - Met schedels, verwelkte bloemen, gedoofde kaarsen, muziekinstrumenten, zeepbellen, vergane boeken, klokken, omgevallen glazen en dergelijke werd de vergankelijkheid, de dood uitgebeeld. Alles verdwijnt, vanishes zouden de Engelsen zeggen. Dat woord doet denken aan het woord vanitas. Vanitas is de term die men in de schilderkunst bezigt voor het tijdelijke, de dood, de eeuwigheid, de ijdelheid en leegte. Het komt van een, aan het bijbelboek Prediker ontleende, zegswijze die luidt: 'Vanitas vanitatum, omnia vanitas'. Het wil zoveel zeggen als: 'IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid '. In het zeventiende-eeuwse Delft was een aantal vanitasschilders werkzaam. Onder hen namen als Evert van Aelst; Abraham van Beijeren; Gillis Gillisz van den Bergh; Leonart Bramer; Anthonie Palamedes; Maria Jacobs van Oosterwijck. Zij waren zich bewust van hun tijdelijke bestaan en zijn inmiddels verdwenen. Gelukkig zijn hun stillevens dat nog niet.

Meer berichten