Dick Stammers
Dick Stammers (Foto: )

Zonder hén

We zitten gezellig te kletsen en te lachen op het terras van het Agathaplein, terwijl hij naast ons wordt vermoord. Zonder zijn daden en zijn dood zou ik niet zo zorgeloos, boosloos, angstloos deze wijn kunnen drinken. Niet zo heerlijk kunnen leven, spreken, ademen. Vandaag lééft Delft, waar ik kijk naar zijn voetstappen in de tuin, de kogelgaten in de muur.
Vlakbij hoor ik dezelfde fatale schoten in café 't Koetsiertje, terwijl precies op die plek Nieuw Delft wordt gebouwd.
Ik loop op het Plein in Den Haag. Naast mij, naast de lieve terrassen, naast de levensvreugde van vandaag, is het hoofdkwartier van de Duitse Sicherheitsdienst. Seyss Inquart staat aan het hoofd. Hij loopt saluerend en bevelend door Delft. Honderd meter van mij vandaan bombarderen vrienden onze ouders, vernietigen een stad. Bezuidenhout.

Gelukkig zijn op de plek waar iedereen is vermoord.

Op het Binnenhof zie ik voor de Ridderzaal het schavot waar onze premier wordt onthoofd door Maurits, de Prins van Oranje-Nassau. Zijn naam is Johan van Oldenbarnevelt, bewoner aan de Oude Delft. Vanaf deze gracht loop ik naar de Koornmarkt langs de synagoge waar honderd Delftse joden worden meegenomen de gaskamers in.
In de Wippolder en in Ypenburg ruik ik de geur van het bombardement, de doden en gewonden.
Wie zouden wij geweest zijn zonder hén? Zonder hém? Zonder háár? Zonder al diegenen die ons voorgingen? Die vandaag met ons zijn, in ons zijn. Óns zijn.
Bestaat er zoiets als ík? Een ik die apart staat? Een ik die dénkt dat hij doet? Die dénkt dat hij beslist, die goed doet, fout doet?
Afijn, het leven is goed, de druiven zoet. Op de plek waar iedereen die ik gekend heb, waar iedereen die ik ken, ooit gelukkig was. Waar ik vandaag gelukkig ben.
Gelukkig zijn.
Op de plek waar iedereen is vermoord.

Meer berichten