Justus nog in Delft, door Rimke Stolk.
Justus nog in Delft, door Rimke Stolk. (Foto: Rimke Stolk)

De talentvolle jonge hofschilder

  Historie

Jeroen Stolk

Frescoschilder Justus

Het leven van Joost Cornelisz Stuling leek zo mooi te beginnen (± 1595). Als zoon van een Delftse goudsmid en als getalenteerd kunstschilder leek niets een zonnige toekomst in de weg te staan. Het lot besliste helaas anders.

Delft - Stuling was één van de weinige Delftse frescoschilders die we kennen. Joost (ook wel Justus) was nog jong toen hij zich als schilder in Rotterdam vestigde, waar hij een geziene gast was in de herbergen. Het duurde niet lang of Stuling bouwde een schuld op bij uitbaatster Marya de Boys "spruytende uijt saecke van verdroncken gelaege ende geleende penningen", welk bedrag hij zal voldoen door het leveren van een schilderij. "Alsoo hij onderhouden heeft voor Marya te maecken een schilderye van Emaüs". Joost moest het doek binnen zes weken "volcomentlick opgemaeckt" leveren. Twee onpartijdige schilders moeten het kunstwerk taxeren. Nauwelijks een maand later staat er wederom een schuld open. Nu bij waardin Petronella van der Wel. Ook deze betreft "verteerde kosten en gedronken gelag". Weer werd de schuld in de vorm van schilderijen voldaan. De schilderstalenten van Joost bleven niet onopgemerkt want de Marokkaanse koning Moulay Zidan stuurde zijn gezant naar Rotterdam om Stuling over te halen voor hem te komen werken. De afspraak was de koning "voor de tyt van ses maanden met syne conste te dienen." Joost zou onder andere fresco's in het Al-Badi paleis te Marrakech aanbrengen. Zo kon het gebeuren dat Joost op 8 juli 1620 afreisde naar Barbarije. In het jaar 1623 arriveert een Hollands schip in de haven van Salé. Aan boord is Albert Cornelis van Ruyl, opperkoopman bij de VOC. Van Ruyl en Stuling raken bevriend. Albert van Ruyl vertrekt weer en Stuling zet zijn werkzaamheden voor de koning voort. Zijn werk werd blijkbaar zo door de koning gewaardeerd dat de zes maanden uitliepen tot jaren. Joost was inmiddels al ruim vier jaar lang hofschilder toen hij Albert Cornelis van Ruyl opnieuw ontmoette. Hij vertelde dat hij al na de eerste twee jaar in dienst van de koning geen stuiver meer had ontvangen en in bittere armoede leefde. Joost verzocht zijn vriend om zijn zaak te bepleiten bij de Staten Generaal. Niet alleen Albert van Ruyl maar ook diverse anderen verzochten de koning "omme Stuling nae 't Vaderlandt te mogen vertrekken". Elk verzoek werd afgewezen en het werd Albert van Ruyl ten strengste verboden om Joost aan boord van zijn schip te nemen wanneer hij zou vertrekken. Dit ondanks het feit dat diverse kooplieden zich borg wilden stellen om de koning zo de garantie te geven dat Stuling zou terugkomen. In Holland kaart van Ruyl de zaak aan bij de Staten Generaal. De Staten Generaal maken de zaak aanhangig bij de Marokkaanse Ambassadeur. Immers, sinds 24 december 1610 had de Republiek al diplomatieke betrekkingen met Marokko. Of deze actie succesvol was is niet bekend, want van Joost Stuling is nooit meer iets vernomen. Noch zijn er documenten gevonden waaruit het verloop van deze zaak blijkt.

Meer berichten